Home Mijn publicaties Hippe kleren voor een hongerloon
|
|
Hippe kleren voor een hongerloon |
|
|
|
|
Evert-jan Quak
|
|
woensdag 13 januari 2010 |
|
Er is maar weinig vooruitgang in de leefsituatie van fabrieksarbeiders die kleren maken voor de westerse markt. De lonen liggen zo laag dat ze bij moeten lenen om hun kinderen naar school te kunnen laten gaan. Hoogste tijd dat consumenten kritischer worden in hun koopgedrag.
(Verschenen in Onze Wereld nr. november 2009) Vrouwen in Azië die voor Nederlandse merken kleding produceren, krijgen veel te weinig betaald om van te leven.' Dit blijkt uit een recent onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de Schone Kleren Campagne (SKC) naar kleding die wordt gemaakt voor C&A, J.C. Rags, M&S Mode, Miss Etam, Prénatal en WE. Arbeiders in Bangladesh die kleertjes maken voor Prénatal, verdienen bijvoorbeeld gemiddeld 29,89 euro per maand. Dat is ver onder het leefbare loon in dat land en evenveel als één babybroek met truitje kost uit het middensegment van de Nederlandse webshop. Het leefbare loon in Bangladesh is 53 euro voor één persoon en voor een gezin van vier 89 euro per maand, volgens de SKC. Toen ik dit bericht begin september las, was ik in eerste instantie boos, omdat de kledingindustrie ruim twintig jaar in de spotlight staat met vergelijkbare verhalen. Daarna moedeloos, omdat de kledingindustrie (vaak in samenwerking met maatschappelijke organisaties) ook al twintig jaar lang zegt met gedragscodes en convenanten de situatie te zullen verbeteren. De realiteit is wel dat de veiligheid en gezondheidssituatie in veel kledingfabrieken iets is verbeterd. Eveneens is er vooruitgang geboekt in de strijd tegen kinderarbeid, vooral bij de directe leveranciers van onze kledingmerken. Er wordt ook meer gebruikgemaakt van biologisch katoen. Maar toch, als we kijken naar mogelijkheden voor arbeiders om hun eigen situatie te verbeteren, bijvoorbeeld via vakbonden, en om hun leefsituatie en toekomst te verbeteren door middel van hogere lonen, is er weinig vooruitgang geboekt. Een nieuw elan Kan het ook anders? In mei 2006 bezocht rockster Bono de Precious Garments-fabriek in Maseru, de hoofdstad van Lesotho. De zanger van U2 en tevens Make Poverty History-activist wilde met eigen ogen zien of met hiv besmette personen in het Afrikaanse land voldoende virusremmende medicijnen kregen toegediend. Eerder dat jaar lanceerde Bono een nieuw initiatief onder de naam RED, dat een nieuwe merknaam moest worden voor de kritische consument die Afrikaanse levens wil redden. Bedrijven werd gevraagd om speciale producten te ontwikkelen onder het RED-merk, waarbij de helft van de winst direct naar het Global Fund to Fight Aids, Tuberculosis and Malaria gaat. De Precious Garments-fabriek werd bezocht omdat zij kleding maakt voor GAP, waaronder een T-shirt dat onder het RED-merk wordt verkocht. Terwijl vele textielfabrieken in Lesotho in 2005 de deuren sloten omdat het goedkoper werd om in Azië te produceren, bleef GAP orders geven aan de fabriek in Lesotho. De fabriek hoefde zodoende niet in te krimpen en heeft 4500 werknemers in dienst waaronder hiv-besmette personen die gratis virusremmende medicijnen krijgen. Volgens de Zuid-Afrikaanse maatschappelijke organisatie ComMark heeft het RED-label een nieuw elan gegeven aan Lesotho als textielproducent. Ook andere initiatieven kwamen van de grond. Andy Selm van ComMark: 'Toen iedereen verwachtte dat de textielfabrieken massaal uit Lesotho zouden vertrekken, kwam er een alliantie tot stand van bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties die daar iets tegen wilde ondernemen. Vele kledingproducenten waren al vertrokken, maar degenen die bleven, investeerden in betere arbeidsomstandigheden.' Wirwar aan vrijwillige codes ComMark stelt vast dat door het ethisch consumeren in het Westen de textielindustrie in Lesotho is behouden. Hierdoor was de terugloop in werkgelegenheid met 14000 arbeidsplaatsen minder groot dan in andere Afrikaanse landen en kwamen langzaam aan investeerders terug, zodat het werkgelegenheidsniveau in 2008 bijna weer op het oude niveau van 54000 in 2004 ligt. Maar Esther de Haan van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) plaatst kanttekeningen bij het succes. Ze legt uit dat uit onderzoek in 2007 bleek dat het RED-initiatief weinig invloed had op de hoogte van het loon. Het maandloon was in 2007 58 euro in de fabrieken in Lesotho waar RED-T-shirts worden gemaakt. Dat ligt amper boven het minimumloon van 57 euro. De werknemers bleken met dit loon nog steeds niet rond te kunnen komen en moesten geld lenen om hun kinderen naar school te laten gaan. Een arbeider zei volgens De Haan: 'Ik moest geld lenen om de school voor mijn kinderen te kunnen betalen. Onze salarissen zijn zo laag dat wij hiermee onze problemen niet kunnen oplossen.' De Haan vervolgt: 'Je zou verwachten dat Bono's label een voorbeeld zou zijn van hoe dit op een betere manier zou kunnen. Door de slechte betaling van arbeiders door RED veroorzaakt hun strijd tegen aids nu ook armoede. Dat is op den duur geen duurzame oplossing. Uiteindelijk zal Afrika weer de eindrekening gepresenteerd krijgen.' De Precious Garments-fabriek is wel een van de weinige kledingfabrikanten die samenwerking met vakbonden niet uitsluit, wat heeft geleid tot enkele verbeteringen in het productieproces. Dat is een uitzondering in een kledingsector waarbij, ondanks de wirwar aan vrijwillige gedragscodes en duurzame initiatieven, arbeiders nog altijd niet hun eigen lot kunnen bepalen. Een combinatie van uitbesteding en een machtsmonopolie bij grote kledingmerken die tot de laatste cent hun orders uitonderhandelen, werken vooruitgang tegen. De directe toeleverancier wil voor dat geld zelf niet alles doen en besteedt werk uit aan vaak illegale naaiateliers die het niet zo nauw nemen met bijvoorbeeld kinderarbeid. Bovendien werkt het in de hand dat arbeiders vaak met kortetermijncontracten moeten werken, waardoor ze continu bang zijn om hun baan, hoe slecht betaald ook, te verliezen. Slow fashion Zie hier in een notendop het probleem waar ontwikkelingslanden tegenaan lopen. Werkgelegenheid is er hard nodig en de textielindustrie genereert dat. Maar tegelijk houden de productiefabrieken armoede in stand. Het werkgelegenheidsargument is niet onbelangrijk, zeker in deze tijd van oplopende werkloosheid door de mondiale economische crisis. Maar volgens Esther de Haan kan het argument nooit op zichzelf staan. 'Werk hebben is belangrijk en kan de positie van vrouwen in ontwikkelingslanden verbeteren, alleen wel onder de juiste voorwaarden. Het werkgelegenheidsargument mag niet de discussie over het verbeteren van de arbeidsomstandigheden blokkeren.' De kledingindustrie is aan zet om het voortouw te nemen om de arbeidsomstandigheden in de sector te verbeteren, zeker omdat van de overheid in het Zuiden weinig te verwachten valt, bang als ze is de productiefabrieken het land uit te jagen. Wel zouden betere handels- en investeringsverdragen een deel van dat probleem kunnen opvangen. Niet onbelangrijk is de druk van de eindgebruikers. Wij hebben gemiddeld zeventig tot honderd kledingstukken in onze kast liggen. Misschien zijn daarvan enkele gemaakt van biologische katoen, maar wie zich het lot van de arbeiders aantrekt, weet dat duurzaamheid meer betekent. En ja, duurzame kleding zal misschien meer kosten, maar het is ook waanzin om elk jaar je hele garderobe te vervangen met als argument om aan de modegrillen te voldoen. Kleding mag geen wegwerpproduct zijn over de ruggen van de arbeiders. Iets moet er anders. Slow fashion, een concept voor betere kwaliteit van kleding, probeert daarop in te haken. Het maant kledingmerken en hun designers anders te kijken naar het productieproces. Maar het is ook de hoogste tijd dat eindgebruikers kritischer worden en kledingmerken serieus onder druk zetten arbeiders die onze kleding maken een leefbaar loon te betalen. |
|
|
|